Over het scheppen van geld, interview met Peter Blom (Triodos)

Jac: “Er is teveel geld op aarde.”

Peter Blom: “Ja, dat is ook zo.”

Als er teveel geld is, hoe ontstaat dat dan? Gangbare economen zeggen, er wordt ook teveel gespaard door mensen. Hoe breng je evenwicht tussen de hoeveelheid geld die er is en de hoeveelheid goederen die circuleert?

“Voor mij zijn zulke vragen ook een worsteling.”

Iemand kwam met het voorbeeld van vier bankdirecteuren die elkaar elk een miljard lenen. Er is vier miljard omzet geboekt maar eigenlijk is er niets gebeurd.

“Economisch is het niet zo relevant dat dat gebeurt. Die virtuele economie verhoogt de balans. Maar zolang er in de reële economie maar niets gebeurt met dat feit, is er niet zoveel aan de hand. Het probleem zit hem veel meer in de geldschepping, het feit dat gewone banken, ook de Triodos Bank, geld kunnen scheppen. Geldscheppen wordt relevant als je daar in de reële economie iets mee doet. Als je het alleen maar aan een andere bank leent en je leent het weer terug, zoals de Japanse banken in het verleden deden om de balans te verhogen, dan bouw je dat voor 1 januari op en na 1 januari weer af en economisch is dat niet zo relevant.”

Kun je uitleggen hoe het geldscheppen werkt?

“In dit verband moet je alle banken zien als één bank. Dus ABN Amro, ING en ook wij zijn één bank en alle burgers en bedrijven hebben een rekening bij die ene bank. Nu komt iemand naar ons toe die krediet wil hebben, om daar iets voor te kopen. In de rekening-courant van die persoon creëren wij een tegoed. Hij mag 100.000 euro gebruiken voor uitgaven, aan bijvoorbeeld computers. Dus zodra hij die koopt, dan maken wij het geld over naar de computerfabrikant, die ook weer een rekening bij ons heeft. Dus op dat moment creëren wij, door een krediet te geven aan een klant 100.000 euro aan geld wat dan gebruikt gaat worden in de reële economie omdat er een computer mee wordt aangeschaft. Dat is in essentie geldschepping. (…) Het creëren van een tegoed op een rekening courant (van een lener, red.) is eigenlijk een afspraak. Wij vertrouwen jou, op basis van je ondernemersvaardigheden, je toekomstige inkomsten, een onderpand, en we geven krediet. Dat was er eerst niet en wordt in feite verstrekt –zo zou het althans moeten zijn- op basis van de verwachte waardecreatie waaruit de aflossing en rente betaald kunnen worden. Dat is het geldscheppingsproces. Sparen is eigenlijk geldvernietiging. Iedereen die geld spaart bij een bank, onttrekt daarmee geld aan de economie, aldus de standaard monetaire theorie. Dus het is het saldo van kredietverlening minus het geld dat gespaard wordt, dat is wat er in de economie aan geld wordt toegevoegd. Wij – als samenleving, omdat we de banken dat toestaan – hebben veel meer krediet verstrekt dan dat er werd gespaard. Als er evenveel krediet wordt verleend als dat er gespaard wordt, wordt er geen nieuw geld geschapen. Je creëert geld als je een krediet verleent waar geen spaargeld tegenover staat.”

En daar is een verhouding tussen, toch, de hoeveelheid spaargeld die jullie moeten hebben…

“De enige factor die eigenlijk beperkend werkt op de kredietverlening, is het vereiste eigen vermogen dat een bank moet aanhouden tegenover krediet, de zogenaamde BIS-ratio. Hoeveel vermogen je moet hebben om krediet te kunnen verlenen. De “leverage”-factor*, zal ik maar zeggen, is cruciaal. Die was heel hoog, en die zijn ze omlaag aan het brengen. Dat heeft een remmende werking op de kredietverlening. En nu is de volgende vraag, wat zou nu de basis moeten zijn van de geldschepping? Welke leverage is aanvaardbaar? en is het alleen een getal of moet je ook veel preciezer gaan kijken naar waar het geld voor wordt aangewend?”

Misschien kunnen we dit meteen inweven: wat is nu de verhouding tussen de commerciële bank die geld schept via kredietverlening en tussen de centrale bank die het monopolie heeft op het drukken van geld?

“Geld drukken wordt eigenlijk steeds minder relevant. Maar de centrale bank kan wel tegoeden creëren voor jou, en kan zorgen dat er meer geld in omloop komt. Die staat achter de primaire banken en is een factor die, als de geldschepping door kredietverlening ergens stokt, via meer liquiditeit in de markt, dat alles door loopt. Dat is hun primaire functie geworden. Vroeger ging geldschepping veel meer via het drukken van bankbiljetten, maar nu veel meer door kredietverlening. Dat is een verschuiving. Dat vindt plaats in de markt en is veel moeilijker te controleren. Centrale banken hebben steeds meer de functie van een “lender of last resort” voor de banken. Dat zie je nu ook gebeuren, maar ook andersom, interessant genoeg. Centrale banken dienen nu als zekere parkeerplaats voor banken. Banken, ook Triodos, hebben overschotten neergezet bij de ECB. Banken hebben limieten aan hoeveel geld ze bij andere banken mogen neerzetten. Dat heeft te maken met risicospreiding en is ook heel goed. Maar op een gegeven moment heb je meer geld dan je bij banken neer kan zetten en dat zetten banken dan bij de ECB neer. Dan heb je de banken die in deze markt te weinig spaargeld kunnen ophalen, die dan bij andere banken terecht moeten maar van hen te weinig geld kunnen krijgen van andere banken, vanwege de limieten. Die markt zit nu vast. Omdat banken zich afvragen: hoe zitten jullie in Griekenland, in Italië? Wij willen eigenlijk geen “exposure” (vordering, red.) op jullie hebben. De ECB is dan waar banken heen kunnen om op basis van onderpand, portefeuilles, liquiditeit te krijgen. Dus hier zie je ook dat de ECB een veilige haven is voor banken die geld willen plaatsen en elkaar niet vertrouwen, maar voor andere banken om geld op te nemen. De functie van achtervang en zekerheidsbieder is veel meer hun huidige functie van centrale banken dan wat ze vroeger deden: opereren in de markt, schatkistpapier opkopen of uitgeven enz. Dat laatste doen ze nu veel minder. Het is nu veel meer een liquiditeitsbuffer voor banken geworden. Daar hebben ze absoluut een nuttige functie. Maar nu even weer terug naar geldschepping: dat is dus helemaal verschoven naar de markt. Banken zijn als gewone ondernemingen gaan fungeren en zijn gaan zoeken naar hoe ze nog meer “leverage” kunnen toepassen bij de kredietverlening. Want meer leverage betekent meer winst maar ook meer risico. Die leverage-ratio’s zie je dus oplopen in de loop der jaren.”

Nu komen we dus eigenlijk op het punt: hoe ontstaat dan het teveel aan geld? Banken zijn commercieel en willen zoveel mogelijk uitlenen…

“Ze brengen steeds meer geld in de economie. Maar ze doen dat niet zoals centrale banken dat vroeger deden vanuit een standpunt wat een goede verhouding is tussen de monetaire sfeer en de reële sfeer. (…) De banken hebben gewoon gedacht: jongens, daar zit muziek in, we gaan nog meer “leveragen”. Politici denken van: als de banken geld in de economie brengen dan gaat de economie lekker draaien, daar houden mijn kiezers van. Door het verlagen van de rentes hebben ze dat ook enorm aangewakkerd. Want elke keer dat je de rente verlaagt, is er weer meer ”leverage” mogelijk. Zo ontstaat er dus steeds meer geld. En normaal en volgens de theorie zou dat door inflatie worden gecorrigeerd, het oude idee, maar wat blijkt nu: er ontstaat een aparte geldmarkt, een virtuele markt, die zichzelf in stand houdt. Vroeger werd eigenlijk veel vaker gecheckt door de reële economie van: klopt dit nog wel. Als er teveel geld kwam, dan krijg je inflatie en daar houden mensen niet van. Dan gingen ze naar de overheid, die zei van dat moeten we bestrijden, en dan ging de centrale bank zorgen dat de referentie rentes omhoog gingen en er minder geld in omloop kwam. Zo bestrijd je inflatie. Het blijkt dat die relatie er niet meer zo direct is. Soms ontstaat er zo’n spanning tussen de geldeconomie en de reële economie dat er een ontlading volgt, bijna als een blikseminslag. Dat zijn die crises die we nu zien. Die maken het bewustzijn wakker van hé, er moet wel een relatie zijn met de reële economie, en dat gaat nu veel meer crisis-matig en minder geleidelijk via het inflatie-mechanisme.”

De reële economie is de economie van goederen en diensten waar behoefte aan is…

“Ja. De reële economie heeft ook een ontwikkeling doorgemaakt. We gaan hierbij over de grenzen van wat de planeet aankan. Ook daar is sprake van leverage, maar dan op de regeneratiecapaciteit van de planeet. Daar ligt de koppeling met het duurzaamheidsvraagstuk. Vroeger was de oplossing steeds: we moeten meer consumeren. Dat werkt niet meer. Dat werkt nog wel in Azië, en wellicht in Afrika en Zuid-Amerika. Die zijn nog arm en die kunnen nog door kredietverruiming de bestedingen en daarmee de economie laten groeien in reële termen. Maar het mondiale probleem is dat de aarde dat niet meer aankan. We kunnen straks de spullen niet meer produceren. De reële economie kan daarom de problemen van de monetaire geldschepping, die steeds groter worden, niet meer oplossen. Dus de verdiencapaciteit van de reële economie is niet groot genoeg meer om de boost aan geld dat rendement moet maken… om dat op te brengen. Je ziet alle beleggers zich steeds vaker achter de oren krabben: waar kunnen we überhaupt nog rendement maken?”

Dus aan de ene kant heb je steeds meer geld, en dat dwingt om steeds meer te produceren omdat dat geld waarde zoekt….

“Precies. Omdat er wel rendement gemaakt moet worden en men zich steeds onzekerder voelt over de virtuele rendementen, de virtuele geldmarkt.”

Dat hangt ook samen met het gegeven dat het een illusie is, het voorziet niet in een behoefte…

“De blikseminslagen zullen steeds vaker komen. Omdat men merkt: we kunnen wel denken dat we met die producten geld maken, maar we maken daar eigenlijk helemaal geen geld mee.”

Bovendien is geld op zichzelf niks. Je kan geld verdienen door een stuk land te kopen en het een tijdje later weer te verkopen. Maar dan is er niets gebeurd. Je hebt niets toegevoegd aan de samenleving.

“Dat is een moreel vraagstuk. In een individueel geval kan dat wel degelijk geld opleveren, omdat de waardering hoger is. Maar als je het macro-economisch bekijkt, dan zie je dat er weliswaar nog gebieden op aarde zijn waar mensen een koopkrachtige vraag kunnen ontwikkelen, maar dat die vraag niet meer op een ouderwetse manier kan worden ingevuld, namelijk met nog meer mijnbouw, nog meer intensieve landbouw. Dat kan de aarde gewoon niet meer aan. De factor natuur zet daar een streep. Die zegt: het gaat gewoon niet meer zo. Zo’n situatie hebben we niet eerder gehad, en daarom kan je de huidige crisis niet vergelijken met vorige crises, ook niet met de ‘New Deal’ van Roosevelt. Je kan niet zeggen: deze is erger dan de vorige. Deze is volstrekt nieuw in zijn aard, omdat de factor natuur nu meespeelt: het feit dat er nu zoveel meer mensen zijn die een bepaalde ‘way of life’ opeisen. Daar zit een fundamentele spanning die we niet kunnen oplossen. Dat kunnen we dus ook niet oplossen met nog meer geldschepping, nog lagere rentes, en hopen dat er ergens weer groei ontstaat. Want dat model hoort bij de twintigste eeuw, niet bij de eenentwintigste. Dat is gewoon over en uit.”

Dus? Wat is volgens jou de oplossing?

“Dat is niet zo simpel te zeggen omdat het samenhangt met allerlei ontwikkelingen waar de mensheid doorheen gaat. De oplossingsrichting, zoals ik die zie, is dat je geldschepping veel meer koppelt aan de draagkracht van de aarde. Daar zijn interessante gedachtes over. Dat zou de nieuwe ‘benchmark’* moeten zijn. Vroeger werd geldschepping verantwoord door goudvoorraden, later de dollar en nu door een verwachte permanente economische groei. we zijn het maken van schulden steeds normaler gaan vinden want dat gaan we straks allemaal terugverdienen omdat groei normaal is. Dat was de naoorlogse periode, en dat was ook terecht, want er moest ook heel veel gebeuren en er was ook heel veel groeipotentie. Dan kan je geldscheppen zoals we dat gedaan hebben ook best verantwoorden. Maar dat kan niet meer en dus moet je een nieuwe ‘benchmark’ vinden. De ‘benchmark’ is dus niet meer materiële groei in de toekomst, maar wat kan de aarde dragen aan reële economie en hoeveel geld heb je nodig om die economie te laten draaien. Banken moeten zich afvragen op welke manier zij hun geldscheppende potentie inzetten en of dat in evenwicht is met de economie in samenhang met wat de aarde qua duurzaamheid kan dragen. Dat moet de vraag aan banken zijn. Het is niet meer een blinde geldscheppingsmogelijkheid, het moet steeds in relatie worden gebracht met de reële economie en met de draagkracht van de aarde. En daarvoor moeten we nieuwe methodieken, nieuwe dialogen met consumenten en producenten ontwikkelen. Ik merk ook wel dat economen daar open voor staan. Zij zeggen ook dat we een andere ‘benchmark’ nodig hebben. Dat vrije geldscheppen kan niet meer, dat is onbeheersbaar geworden en dus moeten we een andere ratio ontwikkelen. En die ratio zitten niet in Basel III, om maar even die term te gebruiken, dat gaat nog heel erg uit van eigen vermogen: meer eigen vermogen remt de kredietverlening. Dat is al een stap in de goede richting, want daarmee heb je wel een remmende factor. Maar het is nog steeds een denken in term van de markt: als we het maar moeilijker maken zal het minder gebeuren. En de volgende stap, daarmee worstelen de economen en daarbij heb je oude en nieuwe denkers. De vraag is: hoe kunnen we een nieuwe relatie leggen tussen het geldscheppende vermogen van banken en de draagkracht van de planeet en de reële economie die daarvan afhankelijke is. Dat is het vraagstuk.”

En niet het vraagstuk dat er tegen geld reële economische waarde moet staan?

“Dat zeg je daarmee eigenlijk wel. Want zodra je dat gaat koppelen, dan zal je zien dat een bank zichzelf heel anders gaat inrichten.”

Maar dat betekent ook dat je niet meer geld gaat verdienen met de handel in aandelen of grond.

“Nee, want daar mag je dan geen geldscheppende capaciteit meer voor gebruiken. Dat je nog een soort liquiditeitsfunctie vervult, is voor dit vraagstuk niet zo relevant maar overigens wel belangrijk. Dat kan altijd gebeuren, dat je een soort olie in de machine hebt en dat je dat als bankwezen moet verzorgen. Dat zit bijna op het niveau van koopgeld: soms heeft de een wat over, en de ander wat tekort. Dat is allemaal korte termijn. Maar de echte geldscheppende functie van banken, die een enorme boost heeft gegeven aan de economie de afgelopen 30 jaar, daar is een grens aan gekomen. Je hebt misschien gehoord dat Bernanke zei: ik zet de rente heel laag en dat doe ik tot 2013. Hij gaf daarmee een signaal af dat hij geen instrumenten meer heeft om maximaal te leveragen. This is my final offer. De rente wordt extreem laag, de leverage wordt extreem groot daardoor, en hij zei daarbij ook nog eens: ik doe dit tot 2013. Daarmee geef je als centrale bank zo’n beetje alles uit handen. Je kan dan nog wel geld drukken als centrale bank, dan maak je het alleen maar nog erger. Dat is een fascinerend signaal, dat een centrale bankier het zo zegt. Ik vind het ook interessant dat Trichet daar niet zomaar in meeging. De ECB heeft wat mij betreft een gezondere rolopvatting als de Fed. Er zit druk op de ECB om net als de Fed ook te gaan voor volledige werkgelegenheid, het stimuleren van de economie. Maar ik denk dat de ECB veel meer moet blijven kijken, zoals de statuten aangeven, naar de relatie tussen monetaire economie en reële economie en daar ook echt onafhankelijk in moet blijven optreden. Tot nu toe proberen ze dat tot mijn verrassing redelijk goed. Ik vind het helemaal niet zo slecht hoe ze dat hebben gedaan, maar de druk van de politici is erg groot om het wel tot een instrument van de korte termijn te maken. Het is fascinerend wat er gebeurt.”

interview door Jac Hielema
uitgewerkt door Arjen Nijeboer